Wie of Wat is Hemelvaartsdag
Hemelvaart. Op donderdag de veertigste dag na Pasen vieren christenen de hemelvaart (‘Ascensionis Domini’) van Jezus Christus. Het is de veertigste dag na zijn opstanding uit het graf en tien dagen voor Pinksteren (nederdaling van de Heilige Geest).
Zoals er veertig dagen zitten tussen Aswoensdag en Pasen, zo zitten er ook veertig dagen tussen Jezus’ herrijzenis met Pasen en Hemelvaartsdag, toen hij zich volgens de bijbel voor het laatst aan zijn volgelingen toonde. In religieuze kringen wordt dit meestal alleen met een kerkdienst gevierd.
Tot de vierde eeuw na Christus was Hemelvaart geen apart feest. De herdenking van de hemelvaart van Christus naar zijn vader in de hemel was slechts een van de onderdelen van het Pinksterfeest. Hemelvaart werd gevierd op de vijftigste dag na Pasen.
In de vijfde eeuw werd Hemelvaartsdag een apart feest. In de middeleeuwen ontwikkelde het feest zich tot het afsluitende feest van de paasperiode. Dit werd gesymboliseerd in het doven van de paaskaars op Hemelvaartsdag.
Pasen (Jezus’ verrijzenis), Hemelvaart (Jezus’ verheffing aan Gods rechterhand) en Pinksteren (nederdaling van de Heilige Geest) vormen een fundamentele eenheid. Verrijzenis, hemelvaart en zending van de Geest drukken een en hetzelfde heilsgebeuren uit.
Dauwtrappen
Op Hemelvaartsdag gaan nog steeds veel mensen er vroeg op uit om dauw te trappen. Ze maken dan een wandeling of gaan een eindje fietsen. Dit voert terug op een gebruik uit een ver verleden. Mensen stonden toen op Hemelvaartsdag om drie uur ‘s nachts op, wandelden met hun blote voeten door het gras, dansten en zongen. Van dit ritueel zou een magische en genezende werking uitgaan. In sommige streken wordt de activiteit ook wel ‘hemelvaren’ genoemd. Dit zou volgens het volksgeloof magische krachten geven. Onder andere zou het ouderdom bestrijden en huidaandoeningen genezen. Zo zou het een prima middel tegen zomersproeten zijn.
Dauwtrappen wordt ook wel in verband gebracht met de processie die vroeger op Hemelvaartsmorgen plaatsvond. Deze herinnerde aan de tocht van Jezus naar de Olijfberg. In de negentiende eeuw trokken Amsterdammers in alle vroegte de stad uit om buiten te bivakkeren onder het genot van koek, rozijnen, krakelingen, vijgen en een ‘cruycxken goed nats’. Er werd gedanst en gezongen. Het was wel de bedoeling om negen uur weer in de stad terug te zijn om de mis bij te wonen.
Pas later werd het de gewoonte om het als een plechtige ontmoeting met de natuur te zien en daarbij vooral to zwijgen. Iets wat nu ook weer ‘uit de mode’ begint te raken.
Plaats Uw Reactie